Siberië

Expeditie naar Taimyr, schiereiland in het noorden van Siberië

 

In 2005 had ik het voorrecht om deel te mogen nemen aan een expeditie geleid door Bart Ebbinge, van Alterra, naar Taimyr, het noordelijkste schiereiland van Siberië. Van 1990 tot 2008 (met onderbrekingen) werd daar de broedbiologie bestudeerd van de rotgans, die in grote aantallen bij ons in de Waddenzee overwintert en daar vooral in het voorjaar flink ‘opvet’ voor de lange tocht naar het broedgebied, die eind mei begint. Van begin juni tot half augustus woont een groep biologen uit verschillende landen in enkele primitieve houten keetjes op de kale toendra, aan de kust van de Kara-zee bij de delta van de Pyasina. De dichtstbijzijnde stad is Dikson, op ruim 200 kilometer afstand aan de monding van de Jenisy. Het vervoer gaat per helicopter, rond het kamp doen we het te voet en in bootjes met buitenboordmotor. Het broedsucces van de ganzen is zeer wisselend van jaar tot jaar. Het hangt sterk samen met het aantal aanwezige lemmingen. Veel lemmingen betekent een hoog broedsucces, omdat de aanwezige roofdieren dan niet naar de ganzennesten en jongen omkijken, maar slechts lemmingen eten. 2005 was een jaar met héél veel lemmingen, en dus ook veel roofdieren. Ik maakte van eind juli tot half augustus deel uit van de onderzoeksgroep. In deze periode ligt het accent van de acties op het vangen en ringen van de ganzen, die dan ruien en tijdelijk niet kunnen vliegen. Hier een impressie aan de hand van foto’s.

Kaart met overwinteringsgebieden, trekroute, tijdelijke verblijfplaatsen (geel) en broedgebieden van de rotgans Branta bernicla. Naar Madsen et al., 1999

Enkele houten keten, ieder met een houtkachel, bieden ons onderdak. De middelste is de banja (sauna), waar we elke zaterdag de hitte over ons heen laten komen. Mooi contrast met de bijna dagelijkse windchill van min 5.

Ons kamp detoneert eigenlijk nogal in de lege toendra. Vooral ’s nachts is het licht op de toendra vaak prachtig. Geen noorderlicht maar wel licht uit het noorden.

De leegte, de stilte, de rust. Het idee dat je duizend kilometer of meer naar het oosten kunt lopen zonder dat het landschap verandert...

Poolwilgen in een pol mos. De vegetatie wordt niet hoog, het groeiseizoen duurt nauwelijks twee maanden.

Kleine beekjes, hier met een soort veenpluis, voeren het water af van de vaak erg natte toendra. De permafrost zit op het hoogtepunt van de zomer niet dieper dan dertig centimeter.

In 2005 was de toendra vergeven van de gaatjes en loopgangetjes van de Siberische lemming Lemmus sibericus. Lemmingen krijgen vooral ’s winters hun (vele) jongen, onder een dikke laag sneeuw. Al in de winter merken de roofdieren (voor zover aanwezig) dat het een goed jaar zal gaan worden, waarin ze zich zullen kunnen voortplanten.

Igor Popov bepaalde elk jaar hoeveel lemmingen er waren, door systematisch vang-onderzoek. Hij had het druk in 2005!

De Siberische lemming is een knaagdier met een lengte van ongeveer 15 cm, de grootte van een kleine hamster. Hij heeft korte oren en een korte staart. Die zouden er anders ook maar afvriezen...

Sneeuwuilen Nyctea scandiaca, hier een een-ogig mannetje, broedden in 2005 overal langs de kusten en op de hogere heuvels.

Bijna vliegvlugge jonge sneeuwuil

Grijze donsballen in diverse groottes: een sneeuwuilnest.

Op een flink aantal plaatsen kwamen we jonge vossen tegen, die zo laat in het seizoen al aardig op hun ouders leken. Toch was het gemiddelde aantal jongen niet hoog, een stuk of vier slechts. Dat was eerst wel vreemd, want als er zoveel lemmingen zijn kan een poolvos-vrouwtje wel twintig jongen werpen!

Een andere belangrijke consument van lemmingen is de poolvos Alopex lagopus. ’s Winters heeft hij een dikke, geheel witte vacht, maar ’s zomers is hij slank en tamelijk bont gekleurd.

Als er geen oudervos in de buurt is die hen kan waarschuwen, zijn jonge poolvossen zo nieuwsgierig dat je ze dicht kunt naderen.

Een blaffende poolvos: de jongen zijn nu diep de burcht ingedoken.

Voor het overzwemmen van een rivier schrikt een poolvos niet terug, hoe koud het water ook is. In de lange winter kunnen ze uiteraard overal lopend komen, over het ijs. Ze kunnen dan wel over afstanden van honderden kilometers rondzwerven op zoek naar voedsel, vaak in het spoor van een ijsbeer.

Vossenburchten kunnen vanwege de permafrost alleen gegraven worden waar de grond goed gedraineerd is: steile kantjes aan de kust en langs riviertjes. Hier zes spelende vosjes op een heuvel, met de toendra en de zee als achtergrond.

Toen de sneeuw wegdooide, kwamen overal de winternesten van lemmingen tevoorschijn, bollen van droog gras. Veel ervan bleken dit jaar gebruikt te zijn als eet-platform van wezels. Naast lemmingkeutels waren dan ook plukken haar en afgekloven restjes van de oorspronkelijke bewoners er bovenop te vinden.

Iets geheel nieuws was in 2005 de dwergwezel Mustela nivalis nivalis, een ondersoort van de gewone wezel. Nog nooit waren ze hier gezien, nu zaten ze overal. Wezels kunnen (in tegenstelling tot hermelijnen en de meeste andere marterachtigen) met een hoge reproductie heel snel reageren op een groeiende prooipopulatie. Ook de wezels leven van lemmingen, hoewel die nauwelijks kleiner zijn dan zijzelf.

De meeste wezels huisden in de rotsformaties die hier en daar uit de toendra steken, en tussen het drijfhout dat op veel plekken in grote hoeveelheden op het strand ligt. Wij vingen en merkten ze, in een poging hun aantal vast te stellen. Vangen ging heel goed, hun aantal vaststellen veel minder goed: onze ‘kampwezel’ bleek na vangen en merken uit minstens vijf verschillende individuen te bestaan.

De belangrijkste eters van lemmingen waren dit jaar de middelste jagers Stercorarius pomarinus, een soort roofmeeuwen. Het waren er zoveel, en ze verdedigden hun nest en territorium zó fel tegen allerlei indringers (inclusief de mens), dat die zich lieten verdrijven naar de randen van de toendra en de (weinige) plekken zonder middelste jagers. Dat verklaart wellicht het relatief lage aantal jonge vossen: hun ouders konden niet genoeg lemmingen vangen omdat ze voortdurend lastiggevallen werden door de jagers. Krengen zijn het!

Het drijfhout, afkomstig uit de Siberische Taiga en aangevoerd door de rivier de Jenisy, is van levensbelang voor tijdelijke bewoners van de toendra: als brandhout en voor de constructie van van alles en nog wat. Zoals wezelvallen. Hier klooft Yasja Kokorev de (motorisch) in stukken gezaagde boomstammen.

Een jonge middelste jager is natuurlijk weer wel een schattig beestje. Totdat je te dichtbij komt en hij zijn snavel in je neus zet....

Op weg naar een plek waar ganzen ruien. Als we eraan komen gaan ze direct het water op, waar ze zich veilig voelen.

Ganzenvangen! Eerst wordt een fuik van staande netten opgezet, dan worden de ganzen er in gedreven (ze kunnen vanwege rui tijdelijk niet vliegen) zodat ze geringd kunnen worden. Zo simpel is het. Maar ja, de ene ganzensoort is de andere niet. Kolganzen Anser albifrons willen bijvoorbeeld bijna niet de oever op en vormen geen compacte groepen. Toch lukte het ons om af en toe een deel van de duizenden ruiende kollen in de netten te krijgen. Het landschap van de Pyasina-delta: eindeloze kleivlakten met slingerende kreken ertussen, zeg maar Zeeland voordat de mens zich ermee ging bemoeien.

De kolganzen kregen behalve een metalen ring ook een halsband met drie grote letters erop. Veel van de kolganzen in Taimyr gaan waarschijnlijk in Azië overwinteren.

In totaal vingen we 186 ruiende kolganzen, een wereldrecord! Er zat ook een dwerggans Anser erythropus bij, die een kortere snavel heeft en een prachtige gouden ring om het oog.

De rotganzen lopen het strand op. Rechts is het begin van het net te zien.

In de fuik! Bart gaat de deur sluiten en het ringen kan beginnen. In totaal vingen we tijdens mijn verblijf 292 volwassen rotganzen en 116 kuikens.De gezinnen zijn heel hecht, nog minstens de hele winter blijven ze bij elkaar.

Volwassen rotganzen en hun kuikens door elkaar heen. Jonge ganzen zijn in de winter nog herkenbaar aan de lichte randjes aan hun rugveren. Daardoor kan in de winter, het broedsucces worden vastgesteld. In 2005-2006 was dit relatief hoog.

Rotganzen Branta bernicla zijn gemakkelijker te vangen. Ze vormen dichte groepen en laten zich met een bootje rustig naar de netten drijven. Ons kamp op de achtergrond.

Na een lange dag ganzenvangen is het heerlijk thuiskomen, ook al is het middernacht. De zon gaat hier pas op 12 augustus voor het eerst weer (even) onder.

De meeste rotganzen kregen een individuele ring-combinatie: twee kleuren, twee symbolen. Deze leest af als: ‘Groen J Blauw A’.

Succesrijke vangdagen worden vaak afgesloten met een wodkaatje. De russen Yasja en Igor willen ons dan nog wel eens vermaken met hun liedjes.

Rendieren Rangifer tarandus lopen hier, zo noordelijk, nog maar weinig rond. Soms vind je hier een gewei, dat er misschien al tientallen jaren ligt.

Bij veel kleine plasjes op de toendra broeden roodkeelduikers Gavia stellata. Ze brengen vliegend kleine visjes, gevangen in zee, naar hun (één of twee) jongen, tot die kunnen vliegen en de toendra kunnen verlaten.

Thuis wachten ons de pannekoeken, gebakken door Sim Broekhuizen.

 

Minstens drie geringde kleine strandloper-kuikentjes verdringen zich om warm onder de oudervogel weg te kruipen.

Overal op de toendra broeden steltlopers in vele soorten. Ook daar wordt onderzoek aan gedaan. Hier een individueel gekleurringde kleine strandloper Calidris minuta.

Op de eilanden voor de kust broeden ook ‘grote burgemeesters’ Larus hyperboreus, een forse meeuwensoort zonder zwarte vleugelpunten.

Sneeuwhoenders Lagopus mutus zijn één van de weinige vogelsoorten die jaarrond op de toendra te vinden zijn. Altijd goed gecamoufleerd, ’s Winters wit en ’s zomers bruin. Deze ‘famous grouse’ (in het russisch: kurapatka) is trouwens in het kamp erg geliefd: in drankvorm.

En dan staat er plotseling het spoor van een geheimzinnige toendrabewoner op het strand bij het kamp: een wolf Canis lupus! Het horloge is net geen vier centimeter breed.

Voor het eerst werd in 2005 een muskusos Ovibos moschatus bij het kamp gezien. Dit kleine rund, dat op een schaap lijkt met de hoorns van een kaapse buffel, werd dertig jaar geleden in het oosten van Taimyr uitgezet vanuit het noorden van Canada. Ze waren lang geleden hier uitgestorven.

In het aanspoelsel op het strand is ook barnsteen te vinden, maar meestal slechts in kleine brokjes.

Helaas, de tijd is om. Het is hier dan ook alweer herfst, al is het pas half augustus. De helicopter haalt ons op.

En dan gebeurt het echt, je gelooft het eerst niet: uit de toendra steekt de punt van een mammoet-slagtand Mammuthus primigenius! Wat zou er onder zitten? Het Groot Arctisch Reservaat van Taimyr staat echter (terecht) niet toe dat je zoiets meeneemt en uitgraaft.

Een laatste blik op de toendra en de zee...

Bureau Mulder-natuurlijk