De vos in Meijendel en Berkheide

De vos in Meijendel en Berkheide

J.L.Mulder, 2000

Rapport Duinwaterbedrijf Zuid-Holland

Samenvatting

Van januari 1997 tot en met maart 2000 verrichtte het Duinwaterbedrijf Zuid‑Holland in de duingebieden Meijendel en Berkheide een onderzoek naar de vossenpopulatie. Voor de onderbouwing van het natuurbeheer, één van de taken van het Duinwaterbedrijf, waren betrouwbare gegevens gewenst over het aantal vossen, hun verplaatsingen binnen en buiten het beheersgebied en hun voedsel en mogelijke invloed op prooidieren. Het onderzoek werd in eigen beheer uitgevoerd in het duingebied. Er waren geen mogelijkheden om structureel onderzoek te doen in het aangrenzende Wassenaar, al werden daar wel enige gegevens verzameld.

Voedselonderzoek

Bij het onderzoek naar het voedsel van de vos in Meijendel en Berkheide deden zich nauwelijks verrassingen voor. Het voedsel van de gemiddelde duinvos bestaat voor 84.3 % uit konijn, 5.5 % uit vogels en 4.5 % uit kleine zoogdieren (muizen). Per jaar eet een vos ongeveer 150 konijnen en 330 muizen. Voedselonderzoek bij de vos is al meer dan honderd keer verricht, in alle delen van zijn verspreidingsgebied. Steeds weer blijkt de vos een heel brede voedselkeuze te hebben, waarbij zijn voorkeur meestal uitgaat naar het voedsel dat hij het gemakkelijkst kan bemachtigen. Uit studies naar de voedselsamenstelling kan men vrijwel nooit conclusies trekken over de mate van predatie op de diverse prooidiersoorten, daarvoor moet men onderzoek doen naar die prooidiersoorten zelf.

Twee aspecten van het vossenvoedsel in Meijendel en Berkheide springen enigszins in het oog: de konijnenconsumptie is, zelfs ondanks de bekende voorkeur van de vos voor konijnen, hoger dan verwacht werd op basis van de konijnenstand, die door velen als laag wordt ervaren. Mogelijk is de voorkeur van de vos voor konijnen zσ groot, dat ze de konijnenpopulatie op het huidige niveau kunnen houden; dat niveau zelf is wellicht vooral tot stand gekomen door een combinatie van myxomatose en vooral VHS. Ook de consumptie van menselijk afval is lager dan verwacht. Dit wordt wellicht veroorzaakt door een combinatie van factoren: de vossen gaan minder dan verwacht op zoek naar voedsel buiten het duingebied, de onderzochte keutels werden verzameld buiten het ‘toeristische’ deel van Meijendel en buiten de invloedssfeer van de strandtenten, de afvalbakken zijn goed geconstrueerd en de bezoekers van Meijendel gaan goed met hun afval om.

Het onderzoek naar de inhoud van magen van ingezamelde vossen gaf een (gezien de beperkte hoeveelheid gegevens overigens niet zo betrouwbaar) beeld van het voedsel van de vos in de duinzoom en in ‘stad & land’. Langs de rand van het duin eten de vossen nog relatief veel ‘duinvoedsel’, zoals konijnen, muizen en vruchten, in dorp, stad en platteland (samengevoegd) meer vogels, kip, appel, insecten en hun larven en eetbaar (composthopen!) en oneetbaar afval. De hoeveelheden genuttigd afval (13 % eetbaar en bijna 8 % oneetbaar) waren niet zo hoog als men in het algemeen wel denkt.

Er zijn uit de gegevens van de vogelinventarisaties in Meijendel weinig aanwijzingen gevonden dat de vogelstand negatief beïnvloed wordt door de vos. Wel zijn de meeuwenkolonies na de komst van de vos geheel uit het duin verdwenen, zoals te verwachten was. Mogelijk heeft de vos ook bijgedragen aan de achteruitgang van de grotere grondbroeders als fazant, wulp, kievit, scholekster en houtsnip, en de bergeend. Bij verreweg de meeste vogelsoorten is echter geen invloed van de komst van de vos te bespeuren.

Territoriale vossen

De vossenpopulatie vertoont het hele jaar door een duidelijke ruimtelijke structuur, waarbij het gehele leefgebied (het duin) is opgedeeld in ‘puzzelstukjes’, de territoria, meestal ongeveer 50‑60 hectare groot, die elkaar niet of slechts weinig overlappen. In elk territorium leven tenminste twee vossen (een mannetje en een vrouwtje) en wordt elk jaar minstens één worp jongen geboren. In minimaal 13 % van de gevallen werden tenminste drie volwassen dieren in het territorium aangetroffen, meestal een mannetje en twee vrouwtjes. Daarnaast werd tweemaal vastgesteld dat er twee volwassen mannetjes in één territorium aanwezig waren. De verzamelde gegevens over het aantal vossen per territorium zijn echter te gebrekkig om duidelijke uitspraken te doen over gemiddelde groepsgrootte en ‑samenstelling. 

De territoriale vossen blijven jarenlang hun territorium bewonen en verlaten het niet of nauwelijks, ze maken slechts incidenteel uitstapjes van hooguit enkele uren. Verhuizingen komen nauwelijks voor. Door het wegvallen van buren en waarschijnlijk ook door de druk die jong‑volwassen vossen op het territoriale systeem uitoefenen, kunnen territoria in de loop van de tijd echter wel wat verschuiven en kleiner of groter worden.

Zwervende vossen

Naast de territoriale vossen leven er in de duinen nog veel zwervende dieren. Naar schatting vormen ze een derde tot bijna de helft van de populatie volwassen vossen. De meeste jonge vossen gaan in hun eerste herfst en winter zwerven om te proberen ergens een plek te vinden waar ze zich territoriaal kunnen vestigen, zodat ze zich kunnen voortplanten. Soms is daar een periode van gewenning, van heen en weer lopen voor nodig. De afgelegde afstanden tussen geboorteplek en uiteindelijk territorium (of tenminste de terugmeld‑plaats) zijn, voor zover vastgesteld, niet erg groot, bij de vrouwtjes gemiddeld 2.8 kilometer, bij de mannetjes 5.5 kilometer. Enkele jonge vossen blijven echter op hun geboorteplek leven; dit werd tenminste bij twee mannetjes en een vrouwtje vastgesteld. Het lijkt erop dat de zwervende vossen de neiging hebben vooral in het duin te blijven. Is na enige maanden nog geen territorium veroverd, dan vestigen ze zich vaak toch min of meer ergens, doordat ze hun zwerftochten beperken tot een betrekkelijk klein gebied van enkele honderden hectare. Dit komt het meest voor bij vrouwtjes. Op een leeftijd van ongeveer drie jaar zijn, op een enkele uitzondering na, alle (nog aanwezige) vossen territoriaal. Aan het eind van hun territoriale leven, na zes tot tien jaar, gaan veel (alle?) vossen weer zwerven tot ze na enkele maanden de dood vinden.

Voortplanting

In principe groeit er elk jaar in elk territorium een worp jongen op. Een enkele maal (in 7 tot 9 % van de territoria) is er sprake van twee (samengevoegde) worpen in één territorium, maar het komt ook wel eens voor (niet in cijfers uit te drukken) dat er geen jongen opgroeien. Bijna alle vrouwtjes (93.5 %) in de populatie worden drachtig, maar als ze geen territorium hebben brengen ze geen jongen groot; waarschijnlijk resorberen of aborteren ze hun jongen, of eten hen na de geboorte op. Uit de secties bleek dat bij 38 % van alle onderzochte vrouwtjes tekenen van resorptie van (delen van) de worp aanwezig waren. Maar ook niet alle territoriale vrouwtjes krijgen jongen groot; minstens 17 %, waarschijnlijk vooral de ‘tweede’ vrouwtjes in de familiegroep, lukt dat niet. De gemiddelde worpgrootte, zoals vastgesteld bij veldwaarnemingen en vangsten van jongen, bedroeg in 49 worpen 3.8 jongen. Voortplanting komt nog op hoge leeftijd voor; drie gezenderde vrouwtjes van 7 en 8 jaar oud kregen nog jongen. 

Het veel hoger aantal jonge mannetjes dan vrouwtjes dat bij de burchten werd gevangen, duidt op sterfte onder de nestjongen, waarschijnlijk als gevolg van onderlinge competitie om de melk. Ook in steekproeven (vangst, afschot, verkeersslachtoffers enzovoort) uit de volwassen populatie zaten meestal meer mannetjes, maar hier kan (een deel van) de verklaring gelegen zijn in gedragsverschillen tussen de geslachten, waardoor ze een verschillende kans lopen in die steekproeven terecht te komen.

Sterfte

De populatie in het duin levende vossen is aan natuurlijke en onnatuurlijke sterfte onderhevig. De natuurlijke sterfte onder nestjongen moet, gezien de scheve geslachtsverhouding, aanzienlijk zijn, mogelijk 30 %. Vóór de leeftijd van zelfstandigheid (zeven maanden) sterft naar schatting nog eens 20 tot 30 % van de jongen die de neststerfte hebben overleefd, wat in totaal een sterfte van ongeveer 45 tot 50 % van alle geboren jongen betekent. Volwassen vossen (gerekend vanaf oktober van hun eerste jaar) hebben in Meijendel en Berkheide een jaarlijkse sterftekans van 35 % (natuurlijke en onnatuurlijke oorzaken samen). Op basis van de leeftijdsopbouw bij in het veld doodgevonden volwassen vossen (waarschijnlijk uitsluitend natuurlijke doodsoorzaken) bedraagt de jaarlijkse sterfte ongeveer 30 %, terwijl de natuurlijke sterfte van zendervossen nog wat lager uitkomt, op 26 %. De onnatuurlijke sterfte van duinvossen is dus niet zo hoog en komt voor rekening van het verkeer (Wassenaarseslag en tijdens uitstapjes van duinvossen naar buiten) en afschot (in door anderen beheerde terreinen aan de rand van het duin en tijdens uitstapjes buiten het duin). Territoriale vossen overleven beter (jaarlijkse totale sterftekans 25 %) dan zwervende vossen (53 %). Een deel van deze zwervers is zes jaar of ouder en heeft een jaarlijkse sterftekans van meer dan 90 %; de jonge zwervers doen het beter met een jaarlijkse sterftekans van 34 %.

Relatie met het achterland

De vossenpopulatie in de duinen lijkt door de bank genomen slechts weinig voor‑ en nadelen te ondervinden van de omringende ‘mensenwereld’. Mogelijk valt alleen de reproductie van de‘duinzoom‑vossen’een beetje hoger uit dan gemiddeld, door een lokaal gunstiger voedselsituatie. Ook lijken er langs de rand van het duin wat meer verschuivingen in het territoriale systeem voor te komen door de hogere sterfte buiten het duin, echter zonder consequenties voor de gemiddelde dichtheid van de populatie langs de rand. De frequentie waarmee ‘duinvossen’ het duin verlaten is betrekkelijk laag. Meestal gaat het om kort (maximaal enkele uren) durende tripjes, vaak in het voorjaar om snel voedsel voor de jongen te halen. Alleen sommige jonge vossen exploreren in hun zwerffase de door de mens bewoonde wereld intensiever en vestigen zich er soms ook. Waar zich voldoende rust en gunstige omstandigheden voordoen, leven en reproduceren vossen ook buiten de duinen, in Wassenaar en Den Haag/Scheveningen.

Populatiedichtheid en beheermogelijkheden

Op basis van veldwaarnemingen, waarbij de verhouding tussen gezenderde en ongezenderde vossen een rol speelde, werd de populatiedichtheid kort voor de voortplanting geschat op 7.2 tot 9.4 vossen per 100 hectare (1 km2). Uitgaande van de territoriumomvang, de groepsgrootte en de verhouding tussen territoriale en zwervende dieren werd de populatiedichtheid geschat op 6.7 tot 11.0 volwassen vossen per 100 hectare. Deze populatiedichtheid behoort tot de hoogste dichtheden die met onderzoek zijn vastgesteld. Alleen in stedelijke gebieden vindt men soms hogere dichtheden.

De vossenpopulatie vertoont allerlei kenmerken die erop duiden dat het aantal vossen op dit niveau op natuurlijke wijze gereguleerd wordt: een lage voortplanting, een hoge sterfte en veel zwervers op zoek naar een territorium. Dat betekent dat eventueel afschot, om effecten op prooidieren te verminderen, of om het aantal vossen te verlagen dat het duin (tijdelijk of definitief) verlaat om erbuiten leefruimte en voedsel te zoeken, erg hoog moet zijn om effectief te zijn. De bejaagde populatie gaat dan immers eerst haar verliezen compenseren: het voortplantingsucces gaat omhoog, de sterfte omlaag en veel zwervers vestigen zich en planten zich voort. Modelberekeningen maken aannemelijk dat men voor een duidelijk effect in korte tijd (twee wintermaanden) in Meijendel en Berkheide minstens 200 vossen zou moeten afschieten, en daarna elk jaar weer zo'n 100 stuks om het effect te handhaven. Een lager afschot zal nauwelijks iets aan de huidige situatie veranderen.

Naar boven

            Webmaster: Willeke Mulder   Laatst bijgewerkt: 31 August 2011