|









| |
|
Wat is een vos en hoe leeft hij ?
[9 maart 2011]
De vos is een familielid van onze huishond. Met zijn grote ogen en
lange snorharen is het de meest katachtige van de hondenfamilie. De
prachtige rode tot bruingrijze vacht, geaccentueerd door het zwart op oren
en poten en het zwart-wit van de snuit, plus de dikke staart met vaak
witte punt, maken de vos tot één van onze mooiste zoogdieren. Zijn
innemend uiterlijk blijkt echter niet voldoende te zijn om hem ook bij
iedereen geliefd te maken. Al eeuwenlang staat Reintje in een kwade reuk
en wordt hij uitgemaakt voor sluwe bedrieger en kippenrover. Nog steeds
denken velen er zo over, hoewel we intussen beter kunnen weten. Met behulp
van het onderzoek dat op veel plaatsen verricht is naar de leefwijze van
de vos, valt een heel wat aardiger beeld te schetsen van ons grootste
roofdier.
Waar komen vossen voor?
Er leven in de wereld verschillende soorten vossen. Denk maar aan het
woestijnvosje en de poolvos. In ons land leeft slechts één soort, die we
daarom eenvoudigweg 'vos' noemen (in wetenschappelijke taal: Vulpes
vulpes). Onze vos is een heel succesvolle vossensoort. Dat kun je goed
zien aan het enorme verspreidingsgebied (kaartje): hij komt overal voor op
het noordelijk halfrond, van Alaska tot Japan. In
Australië is hij rond 1860 door de Engelsen ingevoerd, niet om het konijn
te bestrijden, maar om ook daar de traditionele 'fox-hunts' (vossenjachten
te paard en met een meute honden) te kunnen houden. Bij ons komen vossen
van oudsher voor op de hogere gronden, maar de laatste tientallen jaren is
er een duidelijke uitbreiding te bespeuren naar de laaggelegen delen in
het noorden en westen. In Nederland worden de duinen sinds het eind van de
jaren zestig door vossen bewoond, hoogstwaarschijnlijk nadat ze door
mensen zijn uitgezet. Tegenwoordig leven vossen eigenlijk overal in
Nederland, behalve (gelukkig) op de waddeneilanden.
|
|
|
Sporen
Het is niet zo gemakkelijk om een vos te zien te krijgen. Door de
eeuwenlange bestrijding zijn ze nogal mensenschuw geworden, en gaan ze
bijna alleen maar in het donker op pad. De meeste kans is er in mei tot
juli, 's ochtends heel vroeg, als de wijfjes nog lang in touw zijn om de
jongen van voedsel te voorzien. Er zijn in Nederland echter een paar
plekken waar de kans om overdag een vos te ontmoeten vrij groot is: de
duinstreek tussen Den Haag en IJmuiden, en de Oostvaardersplassen. Meestal
kan de aanwezigheid van vossen alleen worden vastgesteld aan de hand van
hun sporen. In sneeuw of zachte grond blijven de pootafdrukken mooi
zichtbaar. Ze lijken op die van de hond, maar zijn smaller. Kenmerkend is
dat de buitenste tenen geheel achter de binnenste tenen staan, en dat de
afdruk mooi symmetrisch is: bij een onduidelijke afdruk is niet goed te
zien wat voor en achter is. Soms laten vossen plukjes lange roodbruine
haren achter op prikkeldraad, daar waar ze er vaak onderdoor kruipen.
Het meest voorkomende vossen'spoor' wordt gevormd door de uitwerpselen.
Verse
keutels zijn zwart tot donkerbruin, maar na korte tijd krijgen ze meestal
een grijze tot witte kleur; de uiteindelijke kleur is afhankelijk van wat
de vos gegeten heeft. Vaak zijn de vossenkeutels te vinden op tamelijk
opvallende plaatsen, bijvoorbeeld bovenop een graspol of bij een paaltje,
als markering van hun gebied.
Hoe groot zijn vossen?
Mannetjes zijn gemiddeld iets groter dan vrouwtjes. Het vrouwtje weegt
gemiddeld 5,6 kilo, het mannetje 6,7 kilo. Het zwaarste vrouwtje in
Nederland woog 7,9 kilo, het zwaarste mannetje 10,5 kilo. Het vrouwtje
meet van neuspunt tot staart gemiddeld 67 cm, plus een staart van 38 cm,
het mannetje 70 cm plus een staart van 40 cm. Vossen zijn daarmee
nauwelijks groter dan een forse kat, maar lijken door hun dikke vacht en
staart veel groter. Bij de geboorte is een jonge vos
ongeveer honderd gram zwaar; in drie tot vier maanden tijd groeit hij op
tot het gewicht van de volwassen vos.
Een vos is niet kieskeurig
De hondachtigen (en dus de vos) horen samen met onder andere de
katachtigen, de marterachtigen en de beren tot de groep van de
'carnivoren'. Letterlijk betekent dat vleeseters. Vossen voeden zich dan
ook voornamelijk met dierlijk voedsel, al wordt dat in sommige streken en
tijden aangevuld met flinke hoeveelheden plantaardig materiaal: bessen en
afgevallen fruit bijvoorbeeld. Kleine knaagdieren en konijn-achtige dieren
vormen samen in het gehele verspreidingsgebied het hoofdmenu van de vos.
Bijna overal worden ook vogels en insecten gegeten, terwijl in de
broedtijd geregeld eieren van op de grond broedende vogels worden
buitgemaakt. Vossen richten zich niet op één of enkele soorten voedsel,
maar zijn echte opportunisten: ze leven van wat zich ter plekke het
gemakkelijkst laat verschalken. Soms vangen ze, afgaande op het geritsel,
prooien die ze niet lekker vinden, zoals spitsmuizen of een wezel. Als ze
niet heel veel honger hebben, laten ze die liggen. Per dag heeft een vos
ongeveer vijfhonderd gram voedsel nodig.
Variatie in het voedsel
De voedselsamenstelling variëert nogal per gebied. Zo bestaat het
vossenvoedsel in de Nederlandse duinen voor 75-90 % uit konijn en voor
5-18 % uit vogels, terwijl dat op de Veluwe voor 30 % uit konijn, voor 20
% uit kippen (voornamelijk als afval, op mesthopen gevonden), voor 12 %
uit grote zoogdieren (hert, ree en zwijn, vaak in de vorm van doodgevonden
exemplaren, maar ook wel reekalveren) en voor 10 % uit muizen en andere
kleine zoogdieren bestaat. De stadsvossen in Engeland eten veel
regenwormen (15 %), die ze 's nachts van de vochtige gazons oppikken, veel
afval van composthopen en voer van voertafels voor vogels (35 %) en vrij
veel stadsvogels (15 %). Echt afval uit vuilnisbakken en dergelijke vormt
slechts een klein deel van het voedsel. In noordelijke streken overleven
vossen de strenge winters door de restjes van de wolvenmaaltijden
(elanden, rendieren) op te peuzelen. In gebieden met overwegend landbouw
bestaat het voedsel vaak voor meer dan de helft uit kleine knaagdieren,
vooral woelmuizen, zoals de veldmuis. Daar wordt ook veel plantaardig
voedsel gegeten, zoals gevallen appels en peren, maar ook wel maïs en
suikerbiet!
In het lange evolutieproces zijn roofdieren en hun prooidieren op
elkaar afgestemd geraakt: lang niet alle prooidieren laten zich verrassen,
de meest oplettende overleven en kunnen daardoor hun goede eigenschappen
overdragen op hun jongen. Aan de andere kant kunnen lang niet alle
opgroeiende jonge roofdieren even goed jagen, zodat veel jongen omkomen
als gevolg van honger en daardoor optredende ziektes.
Wilde vogels bedreigd?
Een veel gehoord argument om vossen te bejagen is dat ze een bedreiging
zouden vormen voor de vogelstand. Soms is de invloed van de vos inderdaad
zichtbaar, vooral in gebieden waar hij voor het eerst verschijnt. Dan
verdwijnen bijvoorbeeld binnen enkele jaren de broedkolonies van op de
grond broedende, opvallend witte vogels, zoals meeuwen en lepelaars. Hun
eieren en jongen worden opgegeten en de vogels ervaren de broedplaats niet
meer als 'veilig'. Hieruit blijkt dat deze vogelsoorten eigenlijk
thuishoren in gebieden waar vossen niet of nauwelijks kunnen komen, zoals
op eilanden, op steile rotskusten of in uitgestrekte moerassen. In
Nederland is bijvoorbeeld de lepelaar door de komst van de vos geheel of
grotendeels verdreven uit het Naardermeer en het Zwanenwater, en gaan
broeden op de waddeneilanden en in de Oostvaardersplassen. Het totaal
aantal broedparen in Nederland is daardoor juist sterk toegenomen, en de
lepelaar verspreidt zich nu zelfs weer naar andere delen van het land en
naar het buitenland.
Veel vogelsoorten leven van oudsher met vossen samen in dezelfde
gebieden en kunnen zich daar goed handhaven. Dat blijkt uit de
inventarisaties die door de vele vogelwerkgroepen worden verricht. Wel is
het zo dat sommige soorten nogal eens hun eieren en jongen aan de vos
verliezen, en soms ook zelf wel gepakt worden op het nest. Vooral bij
hoenders (fazant en patrijs) en eenden komt dat voor. De overgebleven
vogels brengen echter voldoende jongen groot om het voortbestaan van de
soort veilig te stellen, maar onvoldoende om óók nog de jacht op die
vogels mogelijk te maken. Het is dus kiezen: òf de natuur heeft zijn loop
en de vossen en andere roofdieren en roofvogels maken een deel van de
jaarlijks aanwas aan vogels buit, òf de jagers doen dat, nadat ze de
'productie' van de vogels kunstmatig hebben verhoogd door de roofdieren te
bestrijden.
In een enkel geval vinden ook sommige natuurbeschermers het nodig om
vossen te bestrijden, namelijk ter bescherming van zeldzame vogelsoorten
die het door andere oorzaken ook al moeilijk hebben. Dat gebeurt
bijvoorbeeld bij het korhoen, dat door de sterke veranderingen in de
landbouw en het heidebeheer erg achteruit is gegaan, in feite nog maar
één kleine populatie overheeft, en in nogal wat weidevogelgebieden. Het
afschieten van vossen zou in zulke gevallen echter niet meer moeten zijn
dan een tijdelijke noodmaatregel, in afwachting van het wegnemen van de
werkelijke oorzaken waardoor deze soorten (plaatselijk) bedreigd worden.
Voor weidevogels zouden het beste een beperkt aantal grote reservaten
kunnen worden ingericht, een soort cultuurreservaten waar 'ouderwets'
geboerd moet gaan worden (met inkomenssteun) om een goede stand van
weidevogels te waarborgen. Daar kan dan ook de keuze gemaakt worden voor
vossenbestrijding, maar dat hoeft dan overal elders niet meer te gebeuren.
Tegenwoordig is het wettelijk echter zo geregeld dat vossen overal het
hele jaar door bestreden mogen worden.
Kippen en vossen
Van tijd tot tijd staan er berichtjes in de lokale bladen dat iemand
gedupeerd is doordat een vos is binnengedrongen in een ren en daar
tientallen kippen of eenden heeft doodgebeten. Soms heeft Reinaert er dan
slechts één of twee meegenomen. Zo'n zinloze slachting valt voor de
betrokkenen maar moeilijk te begrijpen. Ook in de natuur kan iets
dergelijks heel af en toe gebeuren, namelijk in vogelbroedkolonies tijdens
donkere nachten, vooral bij veel wind en regen. Zulk gedrag wordt 'surplus-killing'
genoemd; het komt voort uit de neiging van een vos om elk beest dood te
bijten dat er niet goed in slaagt weg te vluchten. Die aangeboren neiging
is in de natuur van groot belang, omdat het voor een roofdier niet meevalt
om steeds voldoende voedsel te vinden. Doet zich dan eens een buitenkansje
voor, dan moet hij dat zeker aangrijpen. Als een vos bijvoorbeeld een
fazant pakt uit een groepje, dan vliegen de anderen direct uit elkaar. Is
er één bij die niet vlug genoeg weg kan komen, bijvoorbeeld door ziekte,
dan wordt ook die nog gegrepen, maar de andere fazanten ontsnappen. In de
beslotenheid van een ren of hok blijven de kippen echter proberen om weg
te komen, of juist stil zitten, waardoor de vos niet anders kàn dan
steeds weer toebijten.
De vos als hamsteraar
Voedsel dat een vos niet in één keer op kan, wordt verstopt voor een
volgend maal. Daarbij graaft de vos een kuiltje, legt de prooi er in, en
schuift er met zijn neus aarde overheen. Uit proeven met tamme vossen aan
de lijn is gebleken dat ze hun verstopte prooien feilloos weten terug te
vinden, ook na maanden nog, waarbij ze afgaan op hun herinnering. In de
Hollandse duinen werd eens in januari een juist opgegeten eendenei
gevonden, naast het kuiltje waar het driekwart jaar begraven was geweest.
Grote voedselvoorraden worden meestal niet aangelegd.
Baasjes
op eigen erf
Net als het geval is bij veel vogelsoorten, houden vossen er een
'territorium' op na. Dat betekent dat een gebied waar vossen leven
volledig is opgedeeld in kleine stukjes. In elk daarvan zijn één
mannetje en zijn vrouwtje heer en meesteres. Zij geven overal in hun
territorium steeds weer hun geuren af, precies zoals honden in de stad:
een paar druppels urine tegen bomen, struiken, graspollen en dergelijke.
De territoriumgrenzen zijn, na enkele schermutselingen met de naaste
buren, onderling vastgelegd, en daar hoeft zelden meer over gevochten te
worden. Met onbekende zwervers worden echter vaak felle gevechten geleverd
om ze uit het territorium te verjagen.
Het afbakenen van een eigen gebied is nodig om het hele jaar door
voldoende voedsel te kunnen vinden. Vooral in het voorjaar moeten in het
territorium steeds in korte tijd genoeg prooien gevangen kunnen worden, om
de bijna onverzadigbare eetlust van de jongen te stillen. Maar ook in de
winter, als schraalhans keukenmeester is, mag er geen gebrek geleden
worden. Aan de grootte van het territorium in verschillende gebieden kun
je dan ook aflezen hoe 'goed' het leefgebied is: hoe meer voedsel en hoe
groter de zekerheid dat dat voedsel het hele jaar door beschikbaar is, des
te kleiner kunnen de territoria zijn, en dus: des te meer vossen leven er.
Binnen de verdedigde grenzen van het territorium speelt zich het
grootste deel van het leven van een vos af. Het gebeurt maar zelden dat
vossen zich er buiten wagen. In de paartijd wil het mannetje wel eens een
naburig vrouwtje opzoeken om zijn kansen op een 'buitenechtelijke' paring
te beproeven. Als er jongen te voeden zijn wil het vrouwtje wel eens het
risico nemen om naar een plek buiten het territorium te gaan waarvan ze
uit eerdere ervaring weet dat daar gemakkelijk voedsel te krijgen is: een
boerenerf of een friettent bij een camping. Mannetje en vrouwtje blijven
soms jaren bij elkaar, maar soms ook verhuist de een of de ander naar een
beter plekje als hij of zij de kans krijgt; van 'eeuwige trouw' is dus
geen sprake.
Territorium-omvang
De stadsvossen in Engeland leven vaak in heel kleine gebiedjes, soms
minder dan 25 hectare, omdat de mensen altijd voldoende etensresten buiten
zetten. In uitgestrekte heidegebieden of bergstreken daarentegen, waar
vooral 's winters maar hier en daar wat voedsel te vinden is, kan een
vossenterritorium wel meer dan 2000 hectare groot zijn, dat is twintig
vierkante kilometer. In Nederland is met behulp van zenders vastgesteld
dat een vossenfamilie in 'rijke' natuurgebieden, zoals de Veluwezoom,
Zuid-Limburg en de duinen, ongeveer 50-150 hectare (0,5 - 1,5 km2)
nodig heeft; op de schralere, grotendeels beboste Veluwe zelf is dat
ongeveer 250 hectare, terwijl in veel grotendeels agrarische gebieden met
stukjes bos en heide, de vossenterritoria wel 400 - 900 hectare groot
kunnen zijn. Dat wordt vermoedelijk veroorzaakt doordat de vossen op grote
oppervlakten binnen zo'n gebied (akkers, intensief beheerd grasland)
nauwelijks voedsel kunnen vinden. Enige invloed van de jacht op de
territoriumomvang (grotere territoria bij hoge jachtdruk, door wegvallen
van buren) is in de twee laatstgenoemde gebieden echter niet uit te
sluiten.
Hoe oud worden vossen?
In gevangenschap halen vossen misschien wel 16 jaar of zo, maar in het
wild is het wereldrecord 14 jaar. De oudst bekende wilde vos in Nederland
werd 12 jaar, dat was een gezenderd vrouwtje in de duinen. Gemiddeld
worden vossen echter niet oud, omdat de meeste al in hun eerste jaar
sterven. Een vos van een jaar of 7 oud is zeldzaam, en vaak al aan het
aftakelen. Volwassen mannetjesvossen worden na een jaar of vier, vijf
meestal weggejaagd door een jonge gast, en slijten de (korte) rest van hun
leven zwervend en voortdurend weggejaagd, tussen de territoria van andere,
nog krachtige mannetjes, door.
Voortplanting
Vossen kunnen éénmaal per jaar jongen krijgen. De paartijd valt in
januari of februari. Enkele dagen lang volgt het mannetje het vrouwtje
overal waar ze gaat. Als er sneeuw ligt kunt je hun 'dubbele' spoor dan
overal vinden. Met dat gedrag verhindert hij dat andere mannetjes met
'zijn' vrouwtje paren. De paringen zelf duren, net als bij honden, vrij
lang, omdat het mannetje een tijdje aan het vrouwtje blijft vastzitten. Na
een draagtijd van ongeveer 53 dagen worden eind maart of begin april de 1
tot 14, maar meestal 4 tot 7, jongen geboren, vaak in een klein en
onopvallend hol. De jongen lijken met hun donker grijsbruine kleur (zie
foto) nog
helemaal niet op een volwassen vos.
Naarmate de geboorte dichterbij komt, wordt het vrouwtje steeds minder
actief. In de dagen rond de geboorte verlaat ze haar hol waarschijnlijk
bijna helemaal niet meer. Het mannetje brengt haar dan vaak voedsel, of ze
gaat misschien snel een prooi halen die ze eerder zelf verstopt heeft. De oogjes van
de jongen gaan na een dag of twaalf open. Hun eerste, nog wankele stapje
buiten het hol zetten ze na een week of drie, vier. Tegen die tijd worden
ze meestal naar een ander, groter hol verplaatst, waarbij het vrouwtje ze
één voor één in de bek erheen draagt. Langzamerhand gaat de omgeving
van het hol steeds duidelijker de sporen van de aanwezigheid van jonge
vossen dragen: half afgekloven prooien, keuteltjes, plekken platgetrapt
gras en schuilhoekjes onder struiken. Na bezoek van mensen aan het hol
worden de jongen meestal naar een ander hol verplaatst, maar ook nog al
eens verdeeld over twee holen. Vanaf half juni verblijven de jongen
meestal bovengronds, vaak op een plek met dicht struikgewas. In augustus
zijn de jongen min of meer zelfstandig, al brengen ze vaak nog veel tijd
door met hun moeder. Overigens gaan de jongen niet, of nauwelijks, samen
met de moeder op jacht, het voedsel zoeken leren ze vooral zelf. Vanaf eind
september beginnen de jongen, vooral de mannetjes, uitstapjes te maken op
zoek naar een eigen territorium. Hun zwerftochten gaan zich steeds verder
uitstrekken, waarbij ze op tientallen kilometers afstand van hun
geboorteplaats terecht kunnen komen. Het verst bracht een jong mannetje
uit de buurt van Arnhem het: hij werd teruggevonden op 96 km afstand, in
Duitsland. In de Verenigde Staten legde een gemerkte mannetjesvos zelfs
eens 395 km af.
Familieleven
Vooral in het voorjaar gedragen vossen zich sociaal. Lange tijd is
gedacht dat de vos solitair leeft, omdat hij altijd in zijn eentje jaagt.
Andere hondachtigen jagen vaak in groepen, denk maar aan de wolf. Dat
heeft onder andere te maken met de grote prooien waarvan wolven leven,
zoals herten en elanden; om die te overmeesteren is het handig om een paar
makkers bij je te hebben. Bovendien levert zo'n grote prooi ook genoeg
voedsel voor een hele groep dieren. Vossen leven echter van prooien die
veel kleiner zijn dan zijzelf, en gaan vrijwel altijd alléén op voedsel
uit. Toch houden ze tamelijk veel contact met elkaar. Via hun vers
afgezette geuren, maar ook door hun geblaf, weten ze meestal precies wie
er waar rondloopt. Als er jongen zijn, vormt hun verblijfplaats het
centrum van activiteit voor alle vossen in het territorium. Aanvankelijk
is dat een hol, later liggen de jongen vaak verstopt in dichte vegetatie.
Holen worden meestal alleen door de wijfjesvossen gebruikt om in te
slapen, in winter en voorjaar, als ze drachtig zijn of kleine jongen
hebben. In de overige jaargetijden slapen ze meestal, net als de meeste
mannetjes het gehele jaar door doen, op een beschut plekje bovengronds,
onder een dichte struik of in hoog gras bijvoorbeeld.
In voedselrijke gebieden komt het vaak voor dat het vossenpaar nog
één of twee andere volwassen vossen naast zich duldt in het territorium.
Steevast zijn dat dochters van één of twee jaar eerder. Deze 'extra'
vrouwtjes krijgen zelf bijna nooit jongen, maar schijnen soms wel een
handje te helpen bij het voedsel aanbrengen aan de jongen die hun moeder
heeft gekregen; dat zijn dus in feite hun (half-)broers en zusjes. Bij het
wegvallen van de moeder (door verkeer of jacht bijvoorbeeld) kunnen ze
zelfs de hele opvoeding overnemen.
Vossen en dassen
In
gebieden waar dassen leven worden hun holen ('burchten') vaak ook benut
door vossen. Het komt nogal eens voor dat jagers dan proberen de vossen te
vangen door hen uit te graven, waarbij de dassenburcht vernield wordt. Dat
kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn. Het is dus belangrijk om het
verschil te weten tussen een dassenburcht en een vossenhol. Bij een
vossenhol ligt het uitgegraven zand aanvankelijk op een min of meer
kegelvormige hoop voor de ingang; later wordt hij platgelopen. Dassen
deponeren het uitgegraven zand op een halfcirkelvormige 'storthoop' rond
de ingang. Als de storthoop hoog wordt, graaft de das er een vaak
boogvormige geul doorheen. De hol-ingang is bij een dassenburcht breder
dan hoog, waarbij de bodem min of meer vlak is en het 'plafond' rond. De
ingang van een vossenhol daarentegen is ovaal, en hoger dan breed. Meestal
hebben dassenburchten veel ingangen met grote storthopen, terwijl het
merendeel van de vossenholen bescheiden van omvang is. Tenslotte is een
zeker kenmerk voor de bewoning door dassen de aanwezigheid van
nestmateriaal, meestal in de vorm van droog gras. Vaak liggen er wat
verloren plukken gras of droge bladeren op een zandhoop voor het hol, of
is oud, naar buiten gebracht gras in de zandhoop verwerkt. Vossen bekleden
hun hol nooit met gras of haar, maar liggen in het kale zand.
Natuurlijke vijanden
De vos staat, zoals dat heet, aan de top van de voedselpiramide. Dat
betekent dat hij eigenlijk geen natuurlijke vijanden heeft: er zijn geen
andere dieren, roofdieren, die er een gewoonte van maken om vossen te
eten. In het buitenland worden (meest jonge) vossen natuurlijk wel eens
door wolven, lynxen of steenarenden gepakt, en in Noord-amerika wordt de
vossenstand duidelijk beperkt door de prairiewolf (coyote), maar de echte
natuurlijke vijanden van de vos in Europa zijn ziekten (zoals
hondsdolheid, schurft en parasieten), de mens, en vooral de eigen
soortgenoot! Door het territoriale systeem kunnen veel van de opgegroeide
jongen geen rustige woonplaats vinden, worden ze maandenlang van hot naar
her gejaagd door de territoriale vossen, moeten ze gaan leven op de
slechtste plekken, en komen ze uiteindelijk om van honger en ellende. Ook
neemt in onbejaagde populaties het aantal jongen dat geboren wordt af.
Daardoor willen de 'vossenplagen' maar niet ontstaan, hoewel die al
tientallen jaren in kranten en jagersbladen worden voorspeld. In het
algemeen is er dus weinig reden om in te grijpen in de vossenstand.
Overlast voorkomen
Vossen zijn snel in het ontdekken van plaatsen waar gemakkelijk voedsel
te halen is, zoals in de nabijheid van de mens, al moeten ze wel wat
overwinnen voor ze het risico nemen. Erven met kippen en tuinen of parkjes
met siervogels en konijnen trekken dan ook de aandacht van steeds weer
nieuwe vossen, ook al probeert men door afschieten van de 'kippenrover' af
te komen. Daarom is het uiteindelijk veel handiger om huisdieren zoveel
mogelijk te beschermen tegen vossen, bijvoorbeeld door ze 's nachts in een
stevig, ook van boven en onder goed afgesloten hok op te sluiten. Als dat
niet mogelijk is kan schrikdraad, een beetje hoog langs de buitenkant van
het gaas gespannen, de vossen buiten houden. Of een naar buiten gebogen
flap gaas op minstens 1,5 m hoogte. Een rij stoeptegels langs de hele
buitenkant van een ren verhindert dat vossen gaan graven. Soms helpt ook
goede verlichting iets, of ('s nachts) een hond op het erf te hebben: daar
zijn vossen meestal als de dood voor. Helemaal voorkomen dat vossen af en
toe een slachtoffer maken, is echter haast onmogelijk. De lusten van het
wonen in een mooi gebied met veel natuur brengen soms ook wat lasten met
zich mee.
Hondsdolheid, een opgelost probleem
Sinds kort is hondsdolheid voor de mens geen groot probleem meer. Vanaf
1939 rukte het virus dat hondsdolheid ('rabies') veroorzaakt, vanuit Polen
in heel Midden-Europa op. In 1966 bereikte de ziekte België en sindsdien
soms ook de Nederlandse grensstreken. Vossen zijn de belangrijkste
verspreiders van het virus. Ze kunnen het op andere vossen (en op veel
andere zoogdieren) overdragen als hun speeksel in een open wondje komt,
bijvoorbeeld door bijten. Het virus moet in een zenuw terecht komen om
zich te kunnen vermenigvuldigen en zijn verwoestende werk te kunnen doen.
De ziekte verloopt voor vossen altijd dodelijk. Dat geldt ook voor de
mens, maar die kan zich er afdoende tegen beschermen door zich kort na
contact met een verdachte vos onder doktersbehandeling te stellen. Enkele
injecties voorkomen dan dat hij ziek wordt.
Door de aantasting van het zenuwstelsel gaan de vossen zich vreemd en
soms agressief gedragen, vandaar de naam van de ziekte. Vanaf het moment
dat het virus in het speeksel van een vos verschijnt en de ziekte dus kan
worden overdragen, leeft de vos nog maar een paar dagen. In die korte
periode moet elke zieke vos minstens één andere vos besmetten, anders
verdwijnt het virus mèt de stervende vossen. Dat zie je dan ook gebeuren
in streken waar weinig vossen voorkomen en ze elkaar dus maar weinig
tegenkomen. Voor
de bestrijding van de hondsdolheid maakt men ook van dit principe gebruik.
Vroeger probeerde men zoveel mogelijk vossen af te schieten of in hun
holen te vergassen in gebieden waar hondsdolheid heerste (zie kader). De
dieren zijn echter zó mobiel dat opengevallen plekken snel weer worden
opgevuld door zwervende jonge vossen, wat de verspreiding van de ziekte
juist weer in de hand zou kunnen werken. Bejaging heeft dan ook nergens,
behalve op het schiereiland Denemarken, effect gehad bij de bestrijding
van hondsdolheid. Tegenwoordig pakt men het anders aan. In streken waar
hondsdolheid voorkomt wordt op grote schaal lokaas uitgelegd met een
vaccin dat de vossen immuun maakt voor het virus. Zieke vossen kunnen dan
nog wel hun (immune) buren besmetten, maar die worden niet meer ziek en
kunnen ook geen andere vossen besmetten. Met deze methode zijn intussen al
heel grote delen van Europa, bevrijd van het gevaarlijke virus.
Hondsdolheid komt nog voor in noordoost Italië, voormalig Joegoslavië,
Roemenië, Oekraïne, Wit-Rusland en de Baltische staten.
De vos beschermd?
Sinds 2002 zijn in Nederland de drie wetten die over de inheemse fora
en fauna gingen (Natuurbeschermingswet, Vogelwet en Jachtwet) samengevoegd
in de Flora- en Faunawet. In die wet wordt een duidelijk onderscheid
gemaakt tussen jacht en bestrijding. Jacht was alleen nog de
'plezierjacht' op een beperkt aantal soorten: haas, konijn, houtduif,
fazant en wilde eend. Voor alle andere soorten die nog volop worden
geschoten, worden nu de termen 'bestrijding' en 'populatiebeheer'
gebruikt. Aanvankelijk was de vos in de Flora-en Faunawet een beschermde
soort; men mocht hem alleen bestrijden met een ontheffing van de
provincie. Die ontheffingen werden overigens, afhankelijk van de
provincie, op vrij grote schaal verleend. Omdat de lobby van boeren en
jagers toenam, en de ambtenaren de aanvragen voor ontheffingen niet
aankonden, werd de vos in 2006 geplaatst op de zogenaamde
vrijstellingslijst, met het argument dat hij overal en altijd schadelijk
was voor de weidevogels. Sindsdien is de vos in feite weer vogelvrij.
Provincies kunnen, wanneer zij dat nuttig vinden, nog ontheffingen
verlenen voor de lichtbak, dus voor het 's nachts bestrijden van vossen
met een sterke schijnwerper, maar overdag kan zonder meer bestrijding van
vossen plaatsvinden.
Het hele jaar door mag er dus weer op de vos gejaagd worden. Iedereen
mag op zijn eigen erf, zonder jachtakte, vossen vangen met kastvallen, met
honden, of door uitgraven en doodslaan. In de meeste jachtvelden wordt de
vos tamelijk intensief bestreden door de jagers of hun jachtopzieners. In
het voorjaar worden de jongen (vaak met hun moeder) uitgegraven en
doodgeslagen, of vanaf een hoogzit bij het hol geschoten. Tijdens de
maïsoogst worden de vossen die zich schuilhouden in het hoge gewas
opgewacht met geweren. In herfst en winter worden drijfjachten gehouden.
Met slachtafval, of door het nabootsen van angstschreeuwen van prooidieren
als muis of konijn worden vossen gelokt en vanaf een hoogzit geschoten.
Als er sneeuw ligt verraden vossen zich door hun sporen, en sneuvelen er
vele doordat ze uit hun hol worden uitgegraven of tijdens een drijfjacht
uit de dekking worden gejaagd. Maar ook zonder dat er sneeuw ligt komen
veel vossen 's winters om, door het inzetten van teckels en terriërs die
de holen worden ingestuurd. Wettelijk mag dat tot 1 maart. De vossen komen
dan het hol uit en worden geschoten, of ze worden ondergronds 'vastgezet'
en vervolgens uitgegraven. In herfst en winter worden de opengevallen
plaatsen in de populatie steeds weer opgevuld door jonge vossen die in die
tijd overal op zoek gaan naar een geschikte woonplaats. De jacht op vossen
in zijn huidige praktijk heeft dan ook betrekkelijk weinig effect op de (voorjaars-)stand,
en draagt het karakter van een elk jaar terugkerende 'oogst'.
Vreemd genoeg wordt er dus tegen vossen heel anders aangekeken dan
tegen de roofvogels en uilen, die biologisch gezien precies dezelfde
functie vervullen in de natuur, maar al lang geleden geheel beschermd
werden.
De vos als huisdier? Niet doen!
Soms worden jonge vosjes te koop aangeboden, of ontfermen mensen zich
over vosjes die anders door jagers zouden worden afgemaakt. Soms ook treft
men één of meer jongen, schijnbaar verweesd en onbewaakt, in de natuur
aan. De neiging om ze mee te nemen is dan groot, vooral ook omdat ze nog
geen enkele angst voor de mens hebben en er bijzonder 'aaibaar' uitzien.
Laat ze echter altijd met rust. De band tussen moeder en jong is bij
vossen uitermate sterk. Zelfs als de moeder werkelijk dood is, dan nog is
de kans groot dat haar jongen door andere vossen uit hun territorium
geadopteerd worden. Het aantal gevallen waarin een vos tot een aardig
huisdier opgroeit, is uiterst klein. Een huis is geen geschikte
leefomgeving voor een vos, omdat hij er zijn natuurlijke gedrag niet kwijt
kan. Het wordt, als hij vier maanden oud is, een regelrechte ramp:
gordijnen aan flarden, uitgegraven en omgegooide potplanten, overal
verstopte voedselresten en penetrante geuren. Vossen die dan niet alsnog
weggedaan kunnen worden, slijten hun leven in een hok in de achtertuin.
Aan dierentuinen kan men ze meestal niet kwijt. Loslaten is ook niks: zo'n
huisdiervos kan niet goed voor zichzelf zorgen en heeft bovendien geen
angst voor mensen, zodat hij niet lang zal overleven.
Vossen komen alleen buiten tot hun recht. Ze spelen daar een
belangrijke rol in het web van de onderlinge betrekkingen tussen planten
en dieren, omdat ze de 'kwaliteit' van hun prooidieren verbeteren: alleen
de snelste, of slimste muizen, fazanten en konijnen blijven over. En wat
is er nu mooier dan een 'muizende' vos bij zonsopgang in een bedauwd
landschap? Of een stelletje ravottende jonge vosjes in de avondzon? Wie
een vos wil zien in de natuur, en er niet al te veel tijd aan kan
spenderen, moet eens in de duinen tussen Den Haag en IJmuiden gaan
wandelen, 's avonds laat of 's ochtends vroeg. Of een tijdje op een
uitzichtspunt bij de Oostvaardersplassen gaan staan. Een garantie geven we
niet, maar de kans op een mooie ontmoeting is groot!
|
|